GitHub Copilot is overgestapt van een vast aantal verzoeken per maand naar een verbruiksmodel met credits. Dit betekent dat je betaalt voor wat je daadwerkelijk gebruikt, en dat kan flink oplopen. Sommige gebruikers merken dat ze binnen een dag hun maandelijkse limiet verbruiken, wat leidt tot onverwachte kosten. Voor ondernemers en professionals die Copilot gebruiken voor code-ondersteuning, is het nu essentieel om inzicht te krijgen in je verbruik en manieren te vinden om credits te besparen.
Wat er aan de hand is
Sinds april 2026 voert GitHub een nieuw prijssysteem in voor Copilot, waarbij abonnees niet langer betalen voor een vast aantal ‘verzoeken’, maar voor het daadwerkelijke gebruik in credits. Volgens Ars Technica melden veel gebruikers op sociale media en forums dat hun normale gebruik onder het oude systeem nu veel duurder uitvalt. Waar een snelle chatvraag en een meerdaagse coderingssessie voorheen hetzelfde kostten, worden zware taken nu zwaarder belast. GitHub geeft aan dat het oude model niet duurzaam was, omdat het bedrijf de stijgende rekenkosten zelf moest opvangen. Sommige gebruikers delen schattingen van GitHub’s eigen tool waaruit blijkt dat hun eerdere maandelijkse gebruik onder het nieuwe tarief duizenden dollars zou kosten.
Wat dit betekent
Voor MKB-ondernemers en professionals die Copilot gebruiken, betekent dit dat je niet meer blindelings kunt aannemen dat je maandelijkse abonnementskosten gelijk blijven. Het nieuwe creditsysteem maakt de kosten variabel en afhankelijk van hoe intensief je de AI inzet. Een paar uur intensief gebruik kan nu al een groot deel van je maandelijkse toewijzing opsouperen. Dit raakt met name ontwikkelteams die Copilot gebruiken voor complexe taken, zoals het genereren van hele functies of het herstructureren van code. Ook voor freelancers die meerdere projecten draaien, kan de rekening snel oplopen. Het is niet langer een kwestie van ‘onbeperkt gebruik binnen je abonnement’, maar van bewust omgaan met een schaars goed: credits.
Hoe je dit kunt toepassen
Als je een klein developmentteam aanstuurt, overweeg dan om een dashboard of monitoringssysteem in te richten dat het creditverbruik per ontwikkelaar bijhoudt. Je kunt wekelijkse of dagelijkse limieten instellen binnen de Copilot-instellingen, zodat niemand ongemerkt een maandbudget verbruikt. Een mogelijkheid is om een korte wekelijkse check-in te doen waarin het team bespreekt welke taken veel credits kosten en of er alternatieven zijn, zoals het gebruik van een lokaal model voor eenvoudige vragen.
Als je zelfstandig ontwikkelaar bent, kun je je workflow aanpassen om credits te sparen. Gebruik Copilot bijvoorbeeld alleen voor complexe codeblokken of lastige algoritmes, en schrijf eenvoudige herhalingen zelf. Een optie is om de chatfunctie te beperken tot situaties waarin je echt vastloopt, in plaats van voor elke kleine vraag. Je zou ook kunnen experimenteren met het uitschakelen van automatische suggesties voor bepaalde bestandstypen die je minder vaak gebruikt.
Als je een bedrijf runt dat Copilot inzet voor meerdere projecten, is het verstandig om de kosten per project te analyseren. GitHub biedt mogelijk inzichten in welk project of welke repository de meeste credits verbruikt. Op basis daarvan kun je besluiten om voor projecten met een hoog verbruik een apart, duurder abonnement te nemen, of juist te kiezen voor een lager tarief voor projecten die minder intensief gebruik maken. Een andere suggestie is om een ‘credits-budget’ per sprint of per maand vast te stellen, zodat het team weet wat de speelruimte is.
Als je in een organisatie werkt waar meerdere teams Copilot gebruiken, overweeg dan om een centrale beheerder aan te stellen die het totale creditverbruik bewaakt. Deze persoon kan richtlijnen opstellen, zoals het beperken van het gebruik van premium-functies tot kritieke taken. Je zou ook kunnen overwegen om een interne kennissessie te organiseren waarin teamleden leren hoe ze efficiënter met Copilot kunnen werken, bijvoorbeeld door prompts specifieker te maken om onnodige heen-en-weer chatgesprekken te voorkomen.
Bron: Arstechnica