Het antwoord is dat GitHub Copilot overstapt van een vast aantal verzoeken per maand naar een systeem met credits, en dat veel gebruikers nu ontdekken dat hun normale gebruik veel duurder uitvalt dan verwacht. Sommige gebruikers verbruikten hun maandelijkse tegoed in minder dan een dag.
Wat er aan de hand is
GitHub heeft in april aangekondigd dat het zijn AI-assistent Copilot verandert van een model met een vast aantal verzoeken naar een verbruiksgebaseerd model met credits. Dit nieuwe prijssysteem is vandaag ingegaan. Op sociale media en forums delen veel Copilot-gebruikers hun ervaringen met forse prijsstijgingen. Waar gebruikers voorheen een bepaald aantal ‘requests’ en ‘premium requests’ kregen op basis van hun abonnement, worden nu credits verbruikt per actie. Volgens GitHub was het oude systeem oneerlijk omdat ‘een snelle chatvraag en een meerdaagse autonome coderingssessie de gebruiker hetzelfde kostten’, waardoor Copilot zelf ‘een groot deel van de stijgende inferentiekosten moest opvangen’. Uit schattingen van GitHub’s eigen tool blijkt dat het vorige maandelijkse gebruik van sommige gebruikers onder het nieuwe plan duizenden dollars zou kosten.
Wat dit betekent
Voor Nederlandse ontwikkelaars en bedrijven die Copilot gebruiken, betekent dit dat de maandelijkse kosten voor AI-assistentie niet langer voorspelbaar zijn. Waar je voorheen een vast bedrag betaalde voor een onbeperkt aantal verzoeken (binnen je tier), moet je nu opletten hoeveel credits je verbruikt. Het is vergelijkbaar met de overstap van een onbeperkt databundel naar een prepaid-telefoonkaart: je bent je ineens veel bewuster van elke actie. Dit raakt met name ontwikkelaars die Copilot intensief gebruiken voor lange coderingssessies of voor taken die veel rekenkracht vragen, zoals het genereren van complete functies of het herstructureren van code. Voor kleine teams of freelancers kan een onverwacht hoge rekening een flinke tegenvaller zijn.
Hoe je dit kunt toepassen
Als je een freelance developer bent die Copilot dagelijks gebruikt, is het verstandig om eerst inzicht te krijgen in je huidige verbruik. GitHub biedt een tool waarmee je kunt zien hoeveel credits je vorige maand zou hebben verbruikt onder het nieuwe systeem. Begin met het bekijken van die schatting. Als die hoger uitvalt dan je budget, overweeg dan om je gebruik te beperken tot alleen de meest complexe taken, zoals het oplossen van bugs of het schrijven van lastige algoritmes. Voor eenvoudige codeaanvullingen kun je de AI uitschakelen en handmatig verder werken.
Als je een team aanstuurt dat met Copilot werkt, kun je afspraken maken over wanneer de AI wel en niet wordt gebruikt. Een mogelijkheid is om Copilot alleen in te schakelen voor taken die echt tijd besparen, zoals het genereren van boilerplate-code of het schrijven van tests. Voor routinematig werk, zoals het typen van variabelenamen of het invullen van standaardfuncties, kun je de AI uitzetten. Overweeg ook om een wekelijks of maandelijks budget in te stellen en het verbruik te monitoren via de GitHub-dashboard.
Als je een bedrijf runt met meerdere developers, is het goed om te onderzoeken of jullie huidige abonnement nog past. GitHub heeft mogelijk verschillende tiers of enterprise-opties die beter aansluiten bij jullie gebruikspatroon. Neem contact op met GitHub Support of je accountmanager om te vragen naar alternatieven. Een andere optie is om te experimenteren met het beperken van de ‘autocomplete’-functionaliteit, die vaak ongemerkt veel credits verbruikt. Je zou kunnen overwegen om Copilot alleen aan te zetten voor specifieke projecten of tijdsblokken.
Als je een webshop of SaaS-product bouwt en Copilot gebruikt voor het onderhoud van de backend, let dan extra op bij het herstructureren van grote codebestanden. Dit soort taken verbruikt vaak veel credits. Een suggestie is om dergelijke herstructureringen te plannen in een aparte, korte sessie en de rest van de tijd Copilot uit te laten. Je kunt ook overwegen om voor eenvoudige aanpassingen een alternatief te gebruiken, zoals een lokale AI-assistent die minder kost.
Bron: Arstechnica